*** ERFELIJKHEID ***
O.I. is een genetische afwijking en dus als zodanig erfelijk. De types I en IV komen soms in vele generaties in families voor. De afwijking is dominant erfelijk: iemand met het afwijkende gen heeft een kans van 50% om dat aan zijn/haar nageslacht door te geven, maar ook een kans van 50% om het normale, niet aangedane gen, door te geven (we hebben allemaal twee kopiën van van elk gen, met uitzondering van de genen in de sex bepalende chromosomen).
Hoewel er een zekere mate van variabiliteit (b.v. in het aantal botbreuken) tussen aangedane familieleden kan worden geconstateerd, blijft het klinische type door de generaties heen hetzelfde, omdat immers steeds dezelfde genetische afwijking wordt doorgegeven van ouder op kind.
Aan de andere kant is OI echter sterk heterogeen in niet via familie aan elkaar gerelateerde gevallen: elk individu kan zijn eigen specifieke afwijking in de collageen genen hebben.
Net zoals andere dominant erfelijke afwijkingen kan OI spontaan optreden.
Dit is in het bijzonder het geval voor de types III en II (meestal de meer ernstige vormen van OI), maar het komt ook bij de andere typen voor.
Als een kind met OI geboren wordt uit ouders die zelf geen OI hebben, dan neemt men in het algemeen aan dat er een mutatie in de genen heeft plaastgevonden.
Mutaties zijn zeldzame en onvoorspelbare gebeurtenissen, die de informatie die in het DNA ligt opgeslagen wijzigt. Het meest waarschijnlijk is dat de mutatie in een van de beide zogenaamde gameten (de eicel of de zaadcel) is opgetreden, hun samensmelting tijdens de bevruchting resulteert dan in een baby met OI.
In families waarin een spontaan geval van OI voorkomt, hebben de overige kinderen niet die genetische afwijking. Zij hebben dus geen bijzonder genetisch risico met betrekking tot hun eventueel nageslacht; het aangedane kind heeft echter wederom een kans van 50% om het beschadigde gen door te geven en daarmee de OI, waarmee een geheel nieuwe keten van erfelijkheid wordt gestart, die weer generaties lang kan worden doorgegeven.
.
*** MOSAICISME ***
Studies in een groot aantal families met ouders die geen OI hadden, maar die toch een type II (letale) OI baby kregen, tonen een herhalingkans van 5-7% op weer een baby met OI.
Deze wat onbegrijpelijke situatie werd eerder foutief verklaard met een andere vorm van overerving (autosomaal recessief) en zorgt nog steeds voor verwarring (en slecht genetisch advies) door artsen die niet goed op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen in OI.
Peter Byers en medewerkers (van de Universiteit van Seattle - USA) en, vervolgens vele andere onderzoekers, hebben laten zien dat het herhalen van OI in families met een negatieve klinische voorgeschiedenis te wijten is aan dominante mutaties in een van de collageen genen (COL1A1 or COL1A2): de betreffende mutatie blijkt niet in alle gameten voor te komen, maar slechts in een zeker percentage daarvan. Deze ouder loopt daardoor een zeker maar gereduceerd risico op het verwekken van nageslacht met OI.
Dit verschijnsel wordt mosaïcisme genoemd.
Het is erg moeilijk om mosaïcisme in een individu vast te stellen: het zoeken naar de mutatie is als het bekende zoeken naar de naald in de hooiberg. Pas nadat de mutatie in het kind is geïdentificeeerd (die het immers in al de cellen heeft), is het mogelijk om specifieke moleculaire tests te ontwerpen om de ouders op mosaïcisme te onderzoeken (in het algemeen aantoonbaar in zowel de geslachtscellen als in de witte bloedcellen) en om te proberen een schatting te maken van het herhalingsrisico.
Mosaïcisme kan bij elk klinisch type OI voorkomen, maar is tot op heden alleen nog maar uitvoerig gedocumenteerd voor de ernstigste vorm (type II): het betreft naar ruwe schatting 5-7% van de gevallen.
last updated 8 August 2000